Hoofdstuk D, Kantooreisen aan ruimten.
Voordat een ruimte gebruikt mag worden als kantoor zijn er een aantal regels waar rekening mee moet worden gehouden.
Regels die er voor zorg dragen dat een werknemer tijdens zijn te verrichte arbeid niet wordt blootgesteld aan bijvoorbeeld gevaarlijke stoffen of een ongezonde omgeving.
De Arbo-wet stamt uit 1994, en is in 1997 vervangen door het arbobesluit, daarbij alle besluiten vervangende die op de Arbo-wet waren gebaseerd)
Naast het arbobesluit (1997) zijn een groot aantal beleidsregels in werking getreden, deze beleidsregels geven nadere normen en uitleg van de bepalingen in het besluit. Door deze beleidsregels toe te voegen aan de ARBO wordt een afstemming van ARBO op het bouwbesluit nagestreefd. Beide werken zijn eigenlijk niet meer naast elkaar te gebruiken omdat je naast bouwbesluit ook moet voldoen aan ARBO regels. Omdat de overheid een transparante wetgeving en deregulering probeert na te streven worden deze twee dus op elkaar afgestemd, welke een logische zaak is.
In de ARBO (de Arbeidsomstandigheden wet) staat beschreven hoe een werkgever ervoor zorg moet dragen dat werknemers niet onnodig ziek kunnen worden als gevolg van de te verrichte arbeid.
In de ARBO is dus ook de volgende paragraaf opgenomen:
1. De werkgever voert, binnen het algemene arbeidsomstandighedenbeleid, een beleid met betrekking tot het ziekteverzuim van de werknemers.
Onderdeel van dit beleid is in ieder geval:
a. het zoveel mogelijk voorkomen of beperken van ziekte van werknemers;
b. het begeleiden van werknemers die door ziekte niet in staat zijn hun werk te verrichten.
In dit rapport hoofdstuk zal ik verder in gaan op het bij punt a. genoemde. En dan specifiek het voorkomen of beperken van ziekte van werknemers door te voorzien in het bieden van een goede werkomgeving.
Omdat de meeste mensen in Nederland kantoorwerkzaamheden verrichten zal ik in gaan op de eisen die door de ARBO worden gesteld aan kantoorruimten.
Stabiliteit en stevigheid
'Arbeidsplaatsen in het algemeen (gebouwen) moeten volgdoen aan de veiligheidseisen die er gesteld worden. Zo moeten de gebouwen waar de arbeid wordt verricht gemaakt zijn van deugdelijk materiaal, zijn van een deugdelijke constructie en verkeren in een goede staat, zodat geen gevaar bestaat voor instorten.
De inrichting van de arbeidsplaats moet zodanig zijn dat er geen gevaar kan ontstaan voor de veiligheid of de gezondheid door het omvallen, kantelen, vallen of verschuiven van de aanwezige voorwerpen of stoffen.'
Deze regel klinkt als een niet meer dan logische eis aan werkruimten. Toch komt het vaak voor dat zelf deze zo 'basis' klinkende regel door werkgevers wordt genegeerd en er door instorting ander soortige ongelukken de gezondheid en veiligheid van de werknemers in gevaar wordt gebracht.
Het is dus een belangrijk en zeker niet te vergeten onderdeel van de ARBO.
Klimaat
Het klimaat in een kantoorruimte is een abstracte term, het klimaat is niet tastbaar, niet zichtbaar, het is iets abstracts.
Bij het ontwerp van een gebouw wordt rekening gehouden met functionele en esthetische criteria maar veelal te weigig met het klimaat.
De leefbaarheid van een gebouw wordt echter voor een zeer groot deel bepaald door het comfort. Mensen in een gebouw reageren zeer snel om veranderingen in het klimaat om zicht heen. Klachten over temperatuur, luchtkwaliteit en vochtigheid van de lucht in veel kantoren zijn kenmerken voor de beperkte aandacht die er is voor dit onderwerp.
Temperatuur in kantoren is een nog veel moeilijker onderwerp. Wat de ene persoon als behaaglijk beschouwd, vind de ander te koud of te warm.
Factoren die onder andere voor het binnenklimaat bepalend zijn:
- Luchttemperatuur
- Gemiddelde Stralingstemperatuur
- Luchtvochtigheid
- Luchtsnelheid (tocht)
- Luchtzuiverheid (ventilatie)
Factoren die persoonlijk zijn, maar wel bijdragen tot de behaaglijkheid zijn:
- De soort activiteiten
- De te dragen kleding
- de beinvloedingsmogelijkheden van de werknemers (personal environment)
Een administratief medewerker achter een computer zal het klimaat logischerwijs anders ervaren dan een medewerker die continue van plek naar plek gaat.
Klimaat is nooit voor iedereen exact goed. Dit wordt natuurlijk voor een groot deel veroorzaakt doordat de klimaat eisen en rekenschema's gebaseerd zijn op gemiddelden. Gemiddelden van soorten activiteiten en gemiddelden van kledingsoort.
Als een gebouw volgens deze rekenmodellen goed voldoet aan de klimaat eisen, zal er alsnog nu en dan geklaagd worden over het klimaat [Al dan niet omdat mensen van nature graag klagen
Het zorgen voor een 'optimale' situatie waar de medewerker niets meer aan kan veranderen is daarom al zeker niet de oplossing. Als het zonnig is een de temperatuur buiten oploopt, is het voor veel mensen een vanzelfsprekende reactie om het raam te openen om voor extra ventilatie te zorgen en het contact met buiten te vergroten.
Kantoren die voorzien zijn van een gesloten airconditioning, is het niet de bedoeling dat de ramen worden geopend. Veel mensen kennen dit inmiddels wel van de airconditioning in de auto, waar het openen van de ramen wanneer de airconditioning aan staat niet als wenselijk wordt beschouwd door de eigenaar van de auto)
Bij een onderbreking van het gesloten systeem kan zorgen voor overbelasting van de installaties en vooral voor veel verspilling van energie
Factoren die personen zelf kunnen beheersen zijn:
- Instelbare thermostaatkranen op radiatoren
(In kantoren wordt tegenwoordig nog maar heel zelden gebruik gemaakt van radiatoren. Veel vaker gaat het hier dan om convectoren die door middel van een paneeltje op wand of convector regelbaar zijn)
- Openen van vensters
- Bedienen van zonwering
- Regelen van aanwezige koeling (d.m.v. bijvoorbeeld airconditioning, mechanische ventilatie of andersoortige aanwezige extra koeling)
Volgens de geldende normen mag minder dan 10 % van de aanwezigen klachten over het klimaat hebben. Dit is opgenomen in de PPD
De normen NEN en ISO 7730 werken bij het bepalen van de 'thermische behaaglijkheid met de zogenaamde PMV (the Predicted Mean Vote, oftewel het voorspelde gemiddelde)
Deze PMV waarde moet tussen de -0,5 en 0,5 liggen, een overschrijding van de grenzen in minder dan 10% van de verblijfstijd is acceptabel.
De PMV is in te delen in de volgende waarden:
| +3 |
heet |
| +2 |
warm |
| +1 |
lichtelijk warm |
| 0 |
neutraal |
| -1 |
lichtelijk koel |
| -2 |
koel |
| -3 |
koud |
Het komt echter vaak voor dat het klimaat in gebouwen die bouwfysisch en inrichtingstechnisch goed zijn, in de zomerperiode afwijkt van de gestelde PMV waarde. Het installeren van een koeling in de luchtbehandelingsinstallatie is dan noodzakelijk. Zoals eerder genoemd, komt het echter veelvuldig voor dat gezondheidsklachten en klimaatklachten toenemen bij het installeren van een dergelijke installatie.
De PMV komt voort uit het Model van Fanger, deze Deen deed in de jaren zestig onderzoek naar de thermische behaaglijkheid.
Aan de hand van de volgende factoren kan de PMV worden berekend:
- luchttemperatuur
- gemiddelde stralingstemperatuur van de omgeving
- luchtsnelheid
- luchtvochtigheid
- activiteitenniveau van aanwezigen (metabolisme)
- kledingisolatie
Luchtverversing
ARBO stelt als eis:
Er moet op de arbeidsplaats voldoende niet verontreinigde lucht aanwezig zijn.
De luchtverversingsinstallaties moet bedrijfsklaar zijn en deze moeten zijn voorzien van een controlesysteem dat storingen in de installatie signaleert indien dat noodzakelijk is voor de gezondheid van de werknemers.
Wat nu 'voldoende' niet verontreinigde lucht inhoud staat beschreven in de ARBO beleidsregels: 'Voor kantoorruimten geldt een minimale luchtverversing van
30 m3/uur per persoon. Voor overige ruimten waarin lichte arbeid wordt verricht geldt een minimale luchtverversing van 25 m3/uur per persoon.'
Niet verontreinigde lucht bevat volgens de beleidsregels
-minder dan 0,1 volume procent CO2
De uiterste waarde is 0,12 volume procent CO2 . Er wordt nog een uitzondering gegeven. Er mag in uitzonderlijke gevallen over de uiterste waarde worden heengegaan, als b.v. een ruimte tijdelijk een hogere bezettingsgraad heeft dan gemiddeld, is een absoluut maximum van 0,15 volume procent toegestaan .
Zoals ook vermeld staat in het bouwbesluit wordt de ventilatievoud bepaald aan de hand van NEN 1087 "Ventilatie van woningen en woongebouwen"
Verlichting
In de ARBO staat vermeld dat er gedurende de aanwezigheid van werknemers voldoende verlichting moet zijn. Door middel van daglicht, kunstlicht of door beide.
De te hanteren gegevens staan vermeld in NEN 3087: "Visuele ergonomie in relatie tot verlichting"
Voor arbeidsomstandigheden waar de visuele taak niet kritisch is volstaat een orientatie verlichting . Het gaat hier dan om een verlichtingsniveau van 10 tot 200 lux.
Voor kantoorwerkzaamheden is 400 lux minimaal
Naast de geldende lux hoeveelheden is het soms noodzakelijk om de verhoudingen in de gaten te houden.Grote luminantieverhoudingen kunnen leiden tot hinder en concentratieverlies. Voor de luminantieverhoudingen gelden de volgende vuistregels:
Papier - Werkblad = 3 - 1
Papier - Omgeving = 10 - 1
(Of bij toetreding daglicht): 1 - 10
Het meten van de lichtsterke en luminantieverhoudingen is echter pas noodzakelijk als er erge twijfel is over het in de NEN normen gestelde verlichtingseisen.
Daglicht
In een kantoor waar iemand gemiddeld meer dan twee uur arbeid verricht per dag moet een transparant raam aanwezig zijn met een oppervlakte van ten minste 1/20 van het vloeroppervlak
De lichtopeningen mogen ook openingen zijn naar een andere ruimte voorzien van buitenlicht.
Een streven naar deze eis wordt gevraagd indien niet redelijkerwijs kan worden voldaan aan de 1/20 verhouding. Dan is een benadering voldoende.
Installaties en Energieprestatienormering
Vanaf 1995 is er in het bouwbesluit een nieuwe paragraaf opgenomen met daarin een gestelde energieprestatie coëfficiënt voor gebouwen.
De EPC is een maat voor energie efficiëntie van een gebouw. Hoe lager de waarde, hoe energie zuiniger het gebouw..
De EPC is vervolgens in 2000 en 2001 aangescherpt en zal ook in de toekomst nog verder worden aangescherpt om gebouwen zo energiezuinig mogelijk te maken.
Energiestromen:
Een belangrijk uitgangspunt voor Energie prestatie norm is dat alle 'energiestromen' in een gebouw meetellen.
Zo worden de volgende onderdelen betrokken in het berekenen van de EPC:
-verwarming
-koeling
-ventilatoren
-verlichting
-pompen
-bevochtiging
-warm tapwater
x EPC eis
zorgt voor de EPC [energie prestatie coëfficiënt
Energieprestatienormering en het bouwbesluit
In de nieuwe energieparagraaf in het bouwbesluit
|